Plato

"Timaeus"

[fragment]

 
 

30. Ons blijft dan nog een vierde soort van gewaarwording over, die we moeten onderscheiden omdat ze uit talrijke variëteiten bestaat, waarvan we de gezamenlijke naam 'kleuren' geven. Een kleur is een vlam, die als een fluïdum uit de verschillende lichamen ontspringt, en wier delen z&oecute; precies aan de gezichtsstroom zijn aangepast, dat ze een gewaarwording tot stand brengen. Over de oorzaken die de gezichtsstroom doen ontstaan, hebben we boven [172] reeds gesproken, doch louter om ze te vermelden. (d) Wat dan de kleuren betreft, zal volgende uiteenzetting wel de meest waarschijnlijke zijn en het best passen bij een behoorlijke verklaring: de deeltjes, die door andere lichamen worden uitgezonden en die binnen onze gezichtsbundel vallen, zijn gedeeltelijk kleiner, gedeeltelijk groter dan die binnen onze gezichtsbundel vallen, zijn gedeeltelijk kleiner, gedeeltelijk groter dan die van de gezichtsbundel zelf; gedeeltelijk zijn ze van gelijke afmetingen. Nu worden de gelijke niet waargenomen: die noemen we dan ook 'doorzichtig'. En wat de grotere en kleinere betreft: de eerste trekken de gezichtsbundel samen, de laatste doen hem uitzetten; zij zijn verwant met wat koud en warm is voor het vlees, met wat wrang en scherp (e) is (zo toch noemden we [173] al wat verhittend werkt) voor de tong. Dat is hier 'wit' en 'zwart': het zijn, bij die grotere en kleinere delen, dezelfde aandoeningen, optredend in een andere soort, al doen ze zich, om die redenen, dan ook anders voor. Ziehier dan hoe men ze dient te benoemen: 'wit' is voor wat de gezichtsbundel doet schiften <uitzetten>; 'zwart', het daaraan tegengestelde [174]. Maar wanneer een al te heftige beweging, behorende tot een andere vuursoort [175], met onze gezichtsbundel in aanraking komt en hem doet schiften tot aan onze ogen, dan breekt ze met geweld door de doorgangen zelf van de ogen; (a) ze doet deze <doorgangen> smelten en doet daaruit een verbinding van vuur en water - wat wij 'tranen' noemen - vloeien. Zij is zelf een vuur, dat uit de tegenovergestelde richting het vuur der ogen tegemoet treedt; zo springt dan eensdeels vuur naar buiten, als uit een bliksem, terwijl anderdeels vuur naar binnen dringt en zichzelf blust in het vocht. In die algemene beroering ontstaat dan een bonte wemeling van kleuren: die aandoening noemen we 'verblinding'; terwijl we aan de bewerkende oorzaak de naam 'glanzend' en 'schitterend' geven. (b) Tussen die beide in [176] ligt een vuursoort, die wel het ogenvocht bereikt en zich ermee vermengt, doch die niet schittert. De straling van het vuur doorheen het vocht waarmee het zich vermengt, levert een bloedkleur op: en die straling noemen we 'rood'. Glanzend vermengd met rood en wit, geeft 'goudgeel'. De precieze maatverhoudingen van elke <kleur> te willen aangeven, ook al zou men die kennen, heeft echter geen zin, daar niemand in staat zou zijn op bevredigende wijze een noodzakelijkheids- noch zelfs een waarschijnlijkheidsreden op te geven. Rood met zwart en wit vermengd, geeft 'purper'. (c) Laat men dit mengsel nog meer branden en voegt men er nog zwart bij, dan krijgt men 'roetbruin'. 'Rossig', ontstaat uit goudgeel plus grijs; 'grijs' uit wit en zwart; en 'oker' uit de vermenging van wit en goudgeel. Komt wit, verbonden met glanzend, terecht in verzadigd zwart, dan vormt dit 'diep blauw'; diepblauw met wit vermengd, vormt 'groenblauw'. Rossig met zwart geeft 'groen'. En wat de andere kleuren betreft, (d) deze voorbeelden zullen wel voldoende duidelijk aangetoond hebben, naar analogie met welke mengingen we die moeten verklaren, willen we de waarschijnlijkheid van ons betoog vrijwaren. Wilde echter iemand die theorieën metterdaad aan de toets der proefneming onderwerpen, dan zou hij <tonen> onwetend <te> zijn over het verschil tussen de menselijke en de goddelijke natuur. Terwijl God nl. de nodige [177] kennis en macht bezit om de veelheid tot eenheid te vermengen en de eenheid weer tot veelheid te ontleden, is geen enkel mens tot één van beide in staat, nu niet en evenmin later. (e)

Plato, verzameld werk, deel vijf, vertaling: Drs. Xaveer De Win, Antwerpen 1980
blz.: 261/263.