Antroposofie

inleiding


Hilde Boos-Hamburger, Die Schöpferische Kraft der Farbe

 


Eugene Hennekens, Ich bin, kleurpotlood op papier

 

Rudolf Steiner

 

"Kleur is wat afdaalt naar de oppervlakte van de dingen, kleur is ook wat de mens
uit het materiële verheft en naar het geestelijke leidt." - Rudolf Steiner

 
 


Rudolf Steiner, schets, 1914, pastel, 40x50 cm

 

Beeld- en glanskleuren


Schwarz: sellt dar das geistige Bild des Toten
Grün: stellt dar das tote Bild des Lebens
Pfirsichblüt: stellt dar das lebende Bild der Seele
Weiss: stellt dar das seelische Bild des Geistes
Rudolf Steiner, beeldkleuren, tekening, 6 mei 1921

 


Rot: Glanz des Lebendigen
Blau: Glanz des Seelischen
Gelb: Glanz des Geistes
Rudolf Steiner, glanskleuren, tekening, 7 mei 1921

 

"De kleuren zwart, wit, groen en perzikbloesem heb ik beelden, beeldkleuren genoemd. De kleuren geel, rood en blauw noem ik 'glanzen', glanskleuren. Zwart, wit, groen en perzikbloesem ontstaan als beelden. In geel, blauw en rood glanzen de dingen op; ze laten hun oppervlakte naar buiten toe zien, ze glanzen op. Dat is de kern, en dat is het grote verschil in de kleuren.

Zwart, wit, groen en perzikbloesem hebben beeldkarakter, ze beelden iets af. In geel, blauw en rood glanst iets op.

Geel, blauw en rood, dat is de buitenkant van iets wezenlijks, iets reëels. Groen, perzikbloesem, zwart en wit zijn altijd de neerslag van een beeld, het zijn altijd een soort schaduwen.

Zodat we zouden kunnen zeggen: zwart, groen, perzikbloesem en wit zijn in feite in de breedste zin van het woord de schaduwkleuren. De schaduw van de geest in de ziel is wit. De schaduw van het dode in de geest is zwart. De schaduw van het levende in het dode is groen. De schaduw van de ziel in het levende is perzikbloesem. Schaduwen en beelden zijn verwant aan elkaar.

Bij blauw, rood en geel daarentegen hebben we te maken met het lichtgevende, niet met het schaduwachtige, daar hebben we te maken met datgene waardoor het wezen zich naar buiten toe openbaart. Zo hebben we hier in het ene geval dus beelden of schaduwen. In de kleuren rood, blauw en geel daarentegen hebben we verschijningsvormen van het lichtgevende. Om die reden noem ik ze 'glanzen'. De dingen glazen op, de dingen stralen op een bepaalde manier. Daardoor hebben deze kleuren elk naar hun eigen aard een stralend karakter: geel naar buiten stralend; blauw naar binnen stralend, in zichzelf stralend; en rood de neutralisering van die twee, gelijkmatig stralend. Binnenschijnend, binnenglanzend in een beweeglijk wit en zwart geeft dit gelijkmatig stralende rood de kleur perzikbloesem. In een statisch wit van de ene kant geel en van de andere kant blauw laten glanzen geeft groen."

Rudolf Steiner, Het wezen van de kleuren, Zeist 1999, blz.: 37-38.

 


3: slecht leesbaar, waarschijnlijk "Pfirsichblüte"
4: "mehr gerötet"
5: "gerötetes Violett"
6: "v" (violet)
7: "i" (indigo)
8: "b" (blauw)
9: "g" (groen)
10: "g" (geel)
11: "o" (oranje)
12: "r" (rood)
 
Rudolf Steiner, twaalfdelige kleurencirkel getekend voor Willem Zeylmans van Emmichoven
Dornach 1920.

 

Aquarel van Hilde Boos-Hamburger
Aquarel van Hilde Boos-Hamburger naar een bordschets van Rudolf Steiner, 26 juli 1918.

 

 

Literatuur

  • Rudolf Steiner, Het wezen van de kleuren, [1929-1931], Zeist 1999
  • Rudolf Steiner, Farbenerkenntnis, Dornach 1990
  • Rudolf Steiner, Wege zu einem neuen Baustil, Dornach 1992
  • Hilde Boos-Hamburger, Die schöpferische Kraft der Farbe: der Impuls Rudolf Steiners zu einer neuen Kunst der Farbengestaltung, [1942], Bazel 1959
  • Frits H. Julius, Entwurf einer Optik: zur Phänomenologie des Lichts, Stuttgart 1984
  • Heiner Bastian e.a., Joseph Beuys - Skulpturen und Objekte, Berlijn 1988

 

Dr. F.W. Zeylmans van Emmichoven

 
 

"Om er achter te komen, wat kleur in die gebieden van het zieleleven [denken, voelen en willen] doet, heb ik zelf eens bepaalde proefnemingen gedaan, in het jaar 1920 te Leipzig, in het laboratorium van Wilhelm Wundt. Die proeven zijn in 1923 in een doctorale dissertatie beschreven, onder den naam: "De werking van de kleuren op het gevoel".

Ik was niet de eerste, die zulke proeven nam. Er zijn verschillende menschen voor mij geweest, zooals: Cohn, Major, Minor en Stefanescu Goanga, die soortgelijke dingen onderzocht hadden, maar hun resultaten waren niet erg duidelijk.

Twee dingen zijn door mij nagegaan. In de eerste plaats ging het er om te zien, óf er werkelijk een sterke invloed van de kleuren uitgaat en in welke richting die invloed ligt en in de tweede plaats om er achter te komen, wat de mensch tegenover een bepaalde kleur eigenlijk beleeft.

Voor het eerste doel werd een bepaalde proef gekozen, de zoogenaamde klopproef van Wilhelm Stern uit Hamburg. Men liet de proefpersoon, die was blootgesteld aan de werking van een uitgesproken kleur, een bepaald tempo kloppen. U zult misschien zeggen: "hoe is dat nu mogelijk, wanneer men iemand laat kloppen, klopt hij dan niet zóó maar, willekeurig; heeft dat wel eenigen zin?" Dat denkt men, zoolang men de proef niet kent.

In de practijk is het anders

Men mag kloppen, zooals men wil, als het maar regelmatig is. Men doet de proefpersoon dat eens voor, eenmaal heel vlug, eenmaal middelmatig en dan langzaam en laat hem dan aan zijn lot over. Men registreert zijn klopsnelheid bij een bepaalde kleur, geprojecteerd op een vlak, in een donkere kamer. Geheel vanzelfsprekend, automatisch kwam een bepaald kloptempo te voorschijn, dat de proefpersoon in overeenstemming voelde met die kleur.

Deze proef werd nu bij een tiental proefpersonen zeer vele malen herhaald met veertien kleuren, die zoo zuiver en sterk mogelijk waren gemaakt wat betreft kwaliteit, helderheid en verzadiging. Alles werd precies geregistreerd. Toen men tenslotte de resultaten van die proeven samenstelde en daar een curve van maakte, bleek het, dat de kleuren, liggende aan den warmen kant van het spectrum, dus geel, oranje, rood, een versnelling van het kloptempo teweeg brachten, terwijl de kleuren, die liggen aan den koelen kant van het spectrum, dus blauw en violet, een duidelijke verlangzaming van het tempo veroozaakten. En wel was het resultaat van ongeveer zevenhonderd proeven zoodanig, dat men in de curve duidelijk twee hoogtepunten vond: een hoogtepunt van versnelling, liggende tusschen geel en oranje, en een hoogtepunt van vertraging, liggende tusschen blauw en blauw-violet, terwijl precies bij het groen, in het midden, de curve door het nulpunt liep. Ook aan den anderen kant, n.l. bij purper, was een nulpunt.

Ten duidelijkste was hiermee gedemonstreerd, dat er een zeer sterke werking uitgaat van de kleur op het gemoedsleven van den mensch. Men vroeg nu telkens na afloop van den proef aan de proefpersoon om de indruk weer te geven die de kleur op hem had gemaakt. Bij de een kwam natuurlijk slechts een sporadische opmerking, bij den ander een vloedgolf van woorden, maar ook hier kwam een zeker gemiddelde te voorschijn.

Men kon zien, dat alles, wat men in Goethes "Farbenlehre" vindt over de "sinnlich-sittliche Wirkung der Farben", wat de gevoelswerking betreft, ruimschoots bevestigd werd, maar bovendien vertoonde zich duidelijk een samenhang van de drie categorieën van het zieleleven, denken, voelen en willen, met de drie gedeelten van het spectrum en wel in dien zin, dat alles wat meer via het gevoelsleven, naar de wilszijde van de ziel tendeert, bevorderd wordt door de warme kleuren, geel en oranje en rood, terwijl het andere gebied van de ziel, samenhangende met het denken, het oordeelen,, het beschouwende leven ook, meer samenhangt met den kouden kant van het spectrum, waar men de blauwe en violette kleuren vindt. De gevoelens zelf, laten wij ze noemen de ongecompliceerde gevoelens, bleken samen te hangen met de kleuren, die zoo schommelen tusschen geel en groen en blauw in.

Deze conclusie was af te lezen uit de resultaten van de reacties van de proefpersonen. Wanneer men dus eenerzijds een spectrum teekent, kan men er anderzijds de gebieden van het menschelijke zieleleven onder schrijven.

Het merkwaardigste resultaat kwam te voorschijn bij het purper; het purper, dat in het spectrum niet zonder meer voorkomt, maar dat bij onze proefnemingen een zeer uitgesproken plaats innam. Dat purper werkte zoo, dat eigenlijk alles wat bij de drie andere groepen voorkwam, nog eens extra bij het purper voorkwam. Het openbaarde zich dus als een kleur, die een synthese in zich draagt. Alles, wat er bij de andere kleuren voorkwam aan reacties op het gebied van het gevoels-, het wils- of het denkleven kwam nog eens een keer samen in het purper.

Wij moeten natuurlijk deze proeven beschouwen als een begin. Men zou in den loop der tijden vele dingen nog dieper en wijder moeten onderzoeken."

Dr. F.W. Zeylmans van Emmichoven, Kleur en zieleleven, Den Haag 1936, blz.: 13-15.

 

"Wanneer men nu het geheele leven van de menschelijke ziel ten opzichte van de kleuren bestudeert, vindt men iets wat men zou kunnen karakteriseeren als een soort ademhalingsproces van de menselijke ziel in de kleur. Geel en oranje zijn kleuren, die naar den toeschouwer toekomen, die de ziel dus als het ware inademt, tot zich neemt, die den mensch ook het gevoel geven van een zekere vroolijkheid en opgewektheid. Daar tegenover vindt men kleuren als een diep blauw en blauw-violet, waar het omgekeerde gebeurt; de ziel heeft behoefte die kleuren te volgen. Dat is als het ware een uitademingsproces van de ziel.

Dat is van grooter beteekenis dan men zoo op het eerste gezicht zou denken. Want stelt u zich eens voor, wat het voor den mensch beteekent wanneer hij in een ruimte leeft, waar met het geheele ademhalingsproces van de menschelijke ziel wordt rekening gehouden. Als hij bij voorbeeld in zijn woning door de verschillende ruimten gaat, vindt in het eene geval een zekere verwijding, expansie van de ziel plaats en in het andere geval een verdichting, een samentrekking. Daardoor zou een veel rijker zieleleven voor den mensch mogelijk worden. Het spreekt natuurlijk van zelf, dat men niet zonder meer een blauwe en een gele kamer zou moeten maken, schematisch naast elkaar, maar dat de kleuren in overeenstemming moeten zijn met de bestemming van de ruimte en de aard van den mensch, die daarin woont. Men zou echter voor de menschelijke ziel een veel grootere mogelijkheid krijgen, in de kleur werkelijk te leven, wanneer men deze dingen meer en meer ging toepassen."

Dr. F.W. Zeylmans van Emmichoven, Kleur en zieleleven, Den Haag 1936, blz.: 15-16.

 
 

 

Literatuur

  • Dr. F.W. Zeylmans van Emmichoven, De werking der kleuren op het gevoel, Utrecht 1923
  • Dr. F.W. Zeylmans van Emmichoven, Kleur en zieleleven, Den Haag 1936
  • Emanuel Zeylmans, Willem Zeylmans van Emmichoven: Ein Pionier der Anthroposophie, Arlesheim 1979
  • Jacoba van Heemskerck, kunstenares van het expressionisme, Den Haag 1982
  • E. Rijgersberg, Beknopte kleurenleer, Amsterdam/Brussel 1971

 

Julius Hebing

 
 


Kontinuierlicher Farbenkreis, aussen Schwarz, innen Weiss
Julius Hebing, Welt, Farbe und Mensch: Studien und Übungen zur Farbenlehre und Einfürungen in das Malen, Stuttgart 1983, Tafel 5.

 


Kontinuierlicher Farbenkreis, innen und aussen Schwarz
Julius Hebing, Welt, Farbe und Mensch: Studien und Übungen zur Farbenlehre und Einfürungen in das Malen, Stuttgart 1983, Tafel 7.

 


Kontinuierlicher Farbenkreis, innen und aussen Weiss
Julius Hebing, Welt, Farbe und Mensch: Studien und Übungen zur Farbenlehre und Einfürungen in das Malen, Stuttgart 1983, Tafel 8.

 

Literatuur

  • Julius Hebing, Welt, Farbe und Mensch: Studien und Übungen zur Farbenlehre und Einfürungen in das Malen, Stuttgart 1983
  • Frits H. Julius, Entwurf einer Optik: zur Phänomenologie des Lichts, Stuttgart 1984