Kleursystemen

inleiding

 
 

De kleurentheorieën van de oude Grieken ontsproten aan hun filosofische denkbeelden over het wezen van de wereld en van de mens. Deze filosofische inslag van het kleurenvraagstuk heeft een taai leven gehad, zelfs Kepler heeft daarvan nog de invloed ondergaan en het nam eerst met Newton een einde. De Griekse filosofenscholen hadden betere begrippen omtrent het kleurenverschijnsel dan de Romeinse geleerden en in het bijzonder zijn hier Aristoteles, Epicurus en Plutarchus te noemen. Ptolemaios, Euclides en Pythagoras meenden, dat het oog stralen uitzendt, die men zich blijkbaar van min of meer materiele aard dacht. Deze gezichtsstralen zouden het waargenomen voorwerp treffen en de stoten, bij dit treffen ontstaan, zouden door het oog in kleuren vertolkt worden. Deze stralen zouden de gehele omgeving van de waarnemer aftasten. Anderen laten uit de oogappel een zich kogelvormig in de lucht uitbreidende spanning ontstaan, waarbij echter de zon niet gemist kon worden, die de lucht zodanig verwarmen moest, dat deze luchtspanning verder geleid kon worden. Plutarchus spint een gedachte van Epicurus, Democritos en Empedokles verder uit en komt tot een Newtoniaans klinkende theorie. Hij zegt, dat de voorwerpen steeds atomen uitzenden, die tezamen het beeld van het voorwerp vormen, welk beeld in alle richtingen door de lucht snelt, het oog binnentreedt en de oogelementen prikkelt. Hier zien wij voor het eerst de stelling verkondigen dat de kleuren geen eigenschap van de voorwerpen zelf zijn, maar dat zij ontstaan door bepaalde gedragingen van hun atomen ten opzichte van het oog. Aristoteles wordt nog moderner, wanneer hij van het licht uitgaat als bewegend moment. De kleur, zo zegt hij, beweegt iets, dat doorzichtig is als de lucht en dit iets beweegt het gevoelige zintuig. Het oog kan niet onmiddellijk door de kleur worden beroerd, maar door een tussenliggend medium. Hij neemt als grondkleuren wit en zwart aan, terwijl uit mengingen van beide de diverse kleuren zouden ontstaan.

E. Rijgersberg, Beknopte kleurenleer, Amsterdam/Brussel 1971, blz.: 75/76.

Reeds Aristoteles had een kleurensysteem, dat tot in de middeleeuwen algemeen werd aanvaard. Aristoteles nam aan, dat kleuren liggen tussen licht en duisternis, uit welke krachten zij ook zouden ontstaan; geel ligt het dichtst bij het licht, blauw het dichtst bij de duisternis, purper ligt in het midden van de lijn, die licht en duisternis verbindt. Waller construeerde in 1686 een kleurenrechthoek. De zijden stelden de vier zuivere kleuren rood, geel, blauw en groen voor, waaruit naar het midden toe de samengestelde kleuren zich vormden. De oudere kleurensystemen zijn alle gebaseerd op het mengen van kleurstoffen. Men nam rood, geel en blauw als de grondkleuren (primaire kleuren) aan, daar dit de kleuren zijn die niet door menging van andere kleurstoffen verkregen kunnen worden. De daaruit door menging verkregen kleuren oranje, groen en violet noemde men de secundaire kleuren; bij verdere menging verkreeg men dan een nieuwe reeks kleuren, tertiaire kleuren.

E. Rijgersberg, Beknopte kleurenleer, Amsterdam/Brussel 1971, blz.: 77.

Wilhelm von Bezold: kleurenkegel.
De kleurenkegel van Wilhelm von Bezold

 

Literatuur

  • E. Rijgersberg, Beknopte kleurenleer, Amsterdam/Brussel 1971
  • Plato, verzameld werk, deel vijf, vertaling: Drs. Xaveer De Win, Antwerpen 1980
  • Solomon Trismosin, Splendor Solis [1582], Amsterdam 1980
  • John Gage, Colour and culture: Practice and Meaning from Antiquity to Abstraction, Londen 1993
  • Paul Zelanski & Mary Pat Fisher, KLeur: principe, theorie en toepassing, Houten 1989
  • C. H. Kleemans, Licht op Kleur: Inleiding tot de theorie van kleurvorming en kleurwaarneming, Leeuwarden/Mechelen 1994

 

Johann Wolfgang von Goethe

 

"Die Farben sind Taten des Lichts, Taten und Leiden."
- Johann Wolfgang von Goethe

 
 

De kleuren zijn daden van het licht, uitingen van zijn handelen en lijden. In die zin kunnen we ervan verwachten dat ze ons uitsluitsel geven omtrent het licht. Kleuren en licht staan weliswaar onderling in de nauwste relatie, maar we moeten ons beide voorstellen als tot het geheel der natuur behorend; want het is heel de natuur, die zich via de kleuren op specfieke wijze aan de gezichtszin wil openbaren.

Johann Wolfgang Goethe, Kleurenleer [1810], Zeist 1991, blz.: 13.

(...): de kleur is een voor het zintuig van het oog bestemd elementair natuurverschijnsel dat zich, net als alle andere, door scheiding en tegenstelling, door vermenging en vereniging, door verheviging en neutralisering, door mededeling en verdeling etcetera manifesteert en het best in relatie tot deze formules der natuur kan worden bekeken en begrepen.

Johann Wolfgang Goethe, Kleurenleer [1810], Zeist 1991, blz.:23/ 24.

Fysiologische, fysische en chemische kleuren

We bekeken de kleuren dus eerst in zoverre ze tot het oog behoren en op actie en reactie daarvan berusten; voorts trokken ze onze aandacht doordat we ze aan of met behulp van kleurloze media gewaarwerden; tenslotte werden ze door ons opgemerkt, doordat we ze ons als tot de voorwerpen behorend konden denken. De eerste hebben we fysiologische, de tweede fysische, de derde chemische kleuren genoemd. De eerste zijn onweerhoudbaar vluchtig, de tweede voorbijgaand maar soms wat langer blijvend, de laatste op de langste termijn houdbaar.

Johann Wolfgang Goethe, Kleurenleer [1810], Zeist 1991, blz.: 24.

Goethe: Schema Farbenkreis

Vooraf stellen we slechts zoveel: dat voor het voortbrengen van kleur licht en duisternis, iets lichts en iets donkers of, zo men zich van een algemener formule wil bedienen, licht en niet-licht vereist is. Het dichtst bij het licht ontstaat er voor ons een kleur die we geel noemen, het dichtst bij de duisternis een andere, die we met het woord blauw aanduiden. Als we ze in hun zuiverste toestand zodanig mengen dat ze elkaar volkomen in evenwicht houden, brengen deze twee een derde voort die we groen noemen. De eerste twee kleuren kunnen echter ook elk op zich een nieuwe verschijning voortbrengen, door zich te verdichten of te verdonkeren. Ze krijgen een roodachtig aanzien, dat zodanig kan toenemen dat men er het oorspronlelijke blauw en geel nauwelijks meer in kan herkennen. Het hoogste en zuiverste rood echter kan, met name in fysische gevallen, worden voortgebracht door de beide uitersten geelrood en blauwrood te verenigen. Dit is de levende visie op het verschijnen en voortbrengen van kleuren. Men kan echter ook naast de specifiek bestaande blauwen en gelen een bestaand rood aannemen en achterwaarts door vermenging produceren wat we voorwaarts door intensiveren hebben bewerkstelligd. Slechts met deze drie of zes kleuren, die zich gemakkelijk in een cirkel laten insluiten, heeft de elementaire kleurenleer te maken. (...)
Moeten we hierna nog een algemene eigenschap uitspreken, dan is het die dat de kleuren beslist als halflichten, als halfschaduwen moeten worden gezien, waarom ze dan ook, als ze dooreen gemengd hun specifieke eigenschappen tegen elkaar wegstrepen, iets schaduwachtigs, iets grijs voortbrengen.

Johann Wolfgang Goethe, Kleurenleer [1810], Zeist 1991, blz.: 25.

 

Goethe: Farbenkreis
Goethe: Farbenkreis

 

Het oerfenomeen

Het meest intense licht - zoals dat van de zon, of dat van fosfor in zuurstof brandend - is verblindend en kleurloos. Zo bereikt ook het licht van de vaste sterren ons meestal kleurloos. Als we dit licht echter zien door een ook maar enigszins troebel medium heen, verschijnt het ons geel. Neemt de troebelheid van zo'n medium toe of wordt zijn diepte vergroot, dan zien we het licht geleidelijk een geelrode kleur aannemen die zich tenslotte tot robijnrood intensiveert.
Wordt daarentegen via een troebel, door een erop vallend licht beschenen medium de duisternis gezien, dan verschijnt voor ons een blauwe kleur, die steeds helderder en bleker wordt naarmate de troebelheid van het medium toeneemt, maar die zich steeds donkerder en verzadigder vertoont naarmate het troebele doorzichtiger wordt. Bij de minste graad van de meest zuivere troebelheid wordt deze kleur zelfs voor het oog waarneembaar als het fraaiste violet.

Johann Wolfgang Goethe, Kleurenleer [1810], Zeist 1991, blz.: 62/63.

 

Goethe: Farbenkreis
Goethe: Farbenkreis

Refractie zonder dat er kleuren verschijnen

Refractie kan optreden zonder dat men een kleurverschijnsel waarneemt. Hoezeer ook door refractie het onbegrensd geziene - een kleurloos of monochroom vlak - wordt verschoven, er ontstaat binnen dat vlak toch geen kleur. Men kan zich daar op allerlei manieren van overtuigen.

Men zette een glazen kubus op het een of ander vlak en kijke daar loodrecht of in een hoek op neer; het zuivere vlak wordt dan geheel en al naar het oog toe opgeheven maar er laat zich geen kleur zien. Als men door een prisma een zuiver grijze of blauwe hemel, een zuiver witte of gekleurde wand bekijkt, dan zal het deel van het vlak waar we net de blik op hebben gericht geheel en al van zijn plaats zijn gerukt zonder dat we er daardoor ook maar het geringste kleurverschijnsel op waarnemen.

Johann Wolfgang Goethe, Kleurenleer [1810], Zeist 1991, blz.: 75.

 

 

Literatuur

  • Johann Wolfgang Goethe, Kleurenleer [1810], Zeist 1991
  • Johann Wolfgang Goethe, Farbenlehre: mit Einleitungen und Kommentaren von Rudolf Steiner
    5 delen, Stuttgart 1986-1988
  • H.O. Proskauer, Zum Studium von Goethes Farbenlehre, Basel 1977
  • Frits H. Julius, Entwurf einer Optik: zur Phänomenologie des Lichts, Stuttgart 1984

 

James Clark Maxwell

 
 

Schijf van Maxwell
Schijf van Maxwell

 

De kleurendriehoek van Maxwell
De kleurendriehoek van Maxwell

 

Literatuur

  • E. Rijgersberg, Beknopte kleurenleer, Amsterdam/Brussel 1971
  • Paul Zelanski & Mary Pat Fisher, KLeur: principe, theorie en toepassing, Houten 1989

 

Wilhelm Ostwald

 
 

De 24 delige kleurencirkel van Wilhelm Ostwald
De 24 delige kleurencirkel van Wilhelm Ostwald

 

Wilhelm Ostwald: kleurenlichaam uit Color Science
Wilhelm Ostwald: kleurenlichaam uit Color Science, 1931

 

Wilhelm Ostwald
Wilhelm Ostwald

 

Literatuur

  • E. Rijgersberg, Beknopte kleurenleer, Amsterdam/Brussel 1971
  • Paul Zelanski & Mary Pat Fisher, KLeur: principe, theorie en toepassing, Houten 1989

 

Albert H. Munsell

 

A.H. Munsell,  A Color Notation, 1961
A.H. Munsell, "A Color Notation", Eleventh Edition (edited and rearranged), Baltimore 1961

 

kleurencirkel van Albert Munsell
kleurencirkel van Albert Munsell

 

 

Albert H. Munsell, grijsschaal
Albert H. Munsell, grijsschaal

 

Albert H. Munsell
Albert H. Munsell

 

Albert H. Munsell
Albert H. Munsell

 

Albert H. Munsell
Albert H. Munsell

 

Het driedimensionale kleurenlichaam van Albert Munsell
Het driedimensionale kleurenlichaam van Albert Munsell

 

Albert H. Munsell
Albert H. Munsell

 

Albert H. Munsell: kleurenlichaam
Albert H. Munsell, kleurenlichaam

 

Albert H. Munsell

verticale doorsnede van het kleurenlichaam van Munsell door de kleuren BG (blauwgroen) en R (rood)

 

Albert H. Munsell
kleurenschijf: horizontale doorsnede door het kleurenlichaam van Munsell, de grijswaarden van de kleuren zijn gelijk

 

Albert H. Munsell
Albert H. Munsell

 

Albert H. Munsell
Albert H. Munsell

 

Literatuur

  • Albert H. Munsel, A Color Notation: an illustrated system defining all colors and their relations by measured scales of hue, value and chroma [1905], Eleventh Edition (edited and rearranged), Baltimore 1961
  • Munsell, A Grammar of Color: a basic treatise on the color system of Albert H. Munsell, edited and with an introduction by Faber Birren, New York 1969
  • E. Rijgersberg, Beknopte kleurenleer, Amsterdam/Brussel 1971
  • Paul Zelanski & Mary Pat Fisher, KLeur: principe, theorie en toepassing, Houten 1989