Dr. F.W. Zeylmans van Emmichoven

over van Gogh en Kandinsky

[de taal der kleuren: het grootste probleem van de nieuwe schilderkunst]

 
 
 

Als revolutionairen werden schilders als Vincent van Gogh, Cézanne en Gauguin, in hun tijd, het tweede gedeelte van de vorige eeuw, beschouwd.

Letten we hier alleen op de geheel andere waarde die in hun werken aan de kleur toekwam, dan is dat al voldoende om de strijd, die hun optreden deed ontbranden, te verklaren.

De tijd waarin deze hervormers begonnen te werken, was er niet een die arm was aan schilders van beteekenis. Integendeel. In Holland was de Haagsche school op een toppunt van bloei. Frankrijk was al voorgegaan met de belangrijke Barbyzonsche school. Het scheen niet dat er eenige behoefte was aan iets nieuws, iets belangrijks, op het gebied van de schilderkunst.

Toch kwam het. De kleur begon de aandacht voor zichzelf te vragen, begon de aandacht op haar eigen qualiteit, haar eigen innerlijke waarde, te vestigen.

Het palet van de de meesters der 19e eeuw, was samengesteld uit eenerzijds vele soorten bruin: gebrande sienna, bruine, roode en gele oker, sepia e.d., terwijl de andere helft bevatte de kleuren zooals geel, rood, blauw en groen.

Men ziet hieruit al het beginsel dat voorop stond. Minstens van even groot belang als de zuivere kleuren werden de verschillende soorten bruin geacht, bij de totstandkoming van een schilderij.

Het doel was steeds iets op natuurlijke, d.w.z. als in de natuur voorkomende wijze af te beelden. Zelden dus kwamen zuivere, ongemengde kleuren voor. Overwegend waren de tinten, halftinten en schaduwen.

De kleuren werden weergegeven als eigenschappen der dingen. Niet om de kleur zelf was het te doen, maar om de dingen in een bepaalde kleur.

Als een der hoofdregels van de schilderkunst gold de eenheid van toon. Geen der kleuren mocht uit het geheel naar voren springen. Geen der kleuren mocht de aandacht voor zichzelf vragen.

Deze regel gold al eeuwen lang. Goethe spreekt er over in zijn "Farbenlehre", 1) en noemt daar deze toon "ein Schleier von einer einzigen Farbe über das ganze Bild gezogen". Die enkele kleur was meest een geelachtig bruin. "Dieser unechte Ton" zegt Goethe verder, "ist durch Instinkt aus Unsicherheit dessen, was zu tun sei, entstanden, so dsz man anstat der Totalität eine Uniformitäät hervorbrachte. Eben diese Unsicherheit dessen, was ist Ursache, dasz man die Farben der Gemälde so sehr gebrochen hat, dasz man aus dem Grauen heraus und in das Graue hinein malt und die Farbe so leise behandelt als möglich. Man findet in solchen Gemälden oft die harmonischen Gegenstellungen recht glücklich, aber ohne Mut, weil man sich vor dem Bunten fürchtet".

Deze vrees nu voor de zuivere, ongemengde kleur gaat verdwijnen. In een schilderij van Vincent b.v. heeft de keur zelf ons iets te zeggen. De voorstelling van het geheel wordt middel om een gevoelsinhoud uit te drukken. Een innerlijke waarde wordt in kleuren en vormen afgebeeld.

De kleuren zijn hier in dienst van de idee gekomen. Zij hebben zich ten deele los van de dingen gemaakt. Zij dienen niet meer als vlakvulling, maar zijn een eigen taal gaan spreken.

De taal der kleuren.

Dit wordt een van de grootste problemen van de nieuwe schilderkunst, die taal der kleuren te doorgronden en dan als een nieuw uitdrukkingsmiddel toe te passen.

De kleuren spreken een eigen taal, zij drukken in hun verschijningsvorm hun eigen wezen uit. Daarmee zijn zij in dienst van de idee gekomen, terwijl zij te voren slechts als eigenschap der dingen een bescheiden rol speelden.

In tal van richtingen openbaarden zich na van Gogh en zijn tijdgenoten de nieuwe denkbeelden in de schilderkunst. Elke richting bracht vele uitwassen met zich mede. Dikwijls overgroeiden de uitwassen het waardevolle.

Belangrijke grondgedachten die verre perspectieven openen zijn echter niet te ontkennen. Daaronder is het verlangen om dieper door te dringen in het wezen der kleuren en het aantoonen van de noodzakelijkheid daarvan, van de grootste betekenis.

Kandinsky, 2) een van de belangrijkste der expressionisten, tracht een nieuwe kleurentheorie te ontwikkelen, die in dienst van de schilderkunst moet komen. Hij tracht daarin te bepalen war elke kleur, op zichzelf beschouwd, uitdrukt. Hij wijst b.v. op het warme, uitstralende karakter van geel, dat neiging schijnt te hebben zich te vergrooten, buiten zichzelf te treden, dat dus excentrisch is en een innerlijke beweging heeft in de richting van den toeschouwer. Daartegenover staat het koele, concentrische blauw, met zijn neiging zich te verkleinen, zich in zichzelf samen te trekken, dus van den toeschouwer zich verwijderend.

Op dergelijke eigenschappen der kleuren wil Kandinsky in de eerste plaats de aandacht der schilders gevestigd zien. Hij noemt in zijn kleurentheorie veel wat reeds lang bekend is. Het nieuwe en belangrijke ligt echter in de geheel andere beschouwingswijze, in de instelling van den kunstenaar op de innerlijke waarde, de eigen taal der kleuren.

Kandinsky zegt o.a.: "Die ganze materialistische Periode hat einen Zuschauer ausgebildet welcher sich dem Bilde nicht einfach gegenüber stellen kann (besonders ein Kunstkenner) und im Bilde alles mögliche sucht. Nur sucht er nicht das innere Leben des Bildes selbst zu fühlen, das Bild auf sich wirken zu lassen". En verder: "Der Künstler ist nicht nur berechtigt, sondern verpflichtet mit den Formen so umzugehen wie es für seine Zwecke notwendig ist. Und weder Anatomie oder dergleichen ist notwendig, sondern volle unbeschränkte Freiheit des Künstlers in der Wahl seiner Mittel".

Wat hier in het bijzonder voor de vormen wordt geeischt, wil Kandinsky ook voor de kleuren doen gelden, zooals uit het geheele werk en vooral ook uit zijn eigen schilderijen blijkt.

Ook bij zijn volgelingen en bij verschillenden die zich bij het expressionisme aansluiten, zien we hoe de gedachte van de eigen, innerlijke waarde der kleuren het wezen der schilderijen gaat beheerschen.

Het qualitatieve element, dat in de eerste plaats de kleuren bepaalt, is in het middelpunt van de belangstelling gekomen.

1) Goethe: Entwurf einer Farbenlehre. § 891 e.v. Union Deutsche Verlagsgesellschaft. 1921.
2) Kandinsky: Über das Geistige in der Kunst.

Dr. F.W. Zeylmans van Emmichoven, De werking der kleuren op het gevoel, Utrecht 1923
hoofdstuk I, blz.: 5-8.