Dr. F.W. Zeylmans van Emmichoven

Newton - Goethe

[De qualitatieve en de quantitatieve beschouwingswijze der kleuren]

 
 
 

Overzien we nu de verschillende theorieën die omtrent de aard der kleuren bekend zijn, dan valt het op dat de heele geschiedenis der optica door, twee beschouwingswijzen om den voorrang hebben gestreden.

Men zou ze tegenover elkaar kunnen stellen als de qualitatieve en de quantitatieve beschouwingswijze. De eerste tracht tot een verklaring van het ontstaan der kleuren te komen door de hoedanigheid der kleuren, zooals die zich ideeël aan ons voordoet, voorop te stellen, terwijl de tweede meent te moeten zoeken naar datgene wat zich bij het kleurphenomeen als meetbaar, als onderworpen aan mechanisch-mathematische wetten, laat aantonen. Beide richtingen zijn ook als idealistisch tegenover materialistisch, te karakteriseeren.

Met de namen Goethe en Newton is de bedoelde tegenstelling gesymboliseerd, zooals nader zal worden aangetoond.

[...]

Goethe schildert in zijn "Geschichte der Farbenlehre" het wezen van deze richtingen op de volgende wijze: "Nun wurde man immer geneigter, das Licht wegen seiner ungeheuren Wirkungen nicht als etwas Abgeleitetes anzusehen; man schrieb ihm vielmehr eine Substanz zu, man sah es als etwas Ursprüngliches, für sich Bestehendes, Unabhängiges an; doch muszte diese Substanz, um zu erscheinen, sich materiieren, materiell werden, Materie werden, sich körperlich und endlich als Körper darstellen, als gemeiner Körper, der nun Teile aller Art enthalten, auf das verschiedenste und wunderlichste gemischt und ungeachtet seiner anscheinenden Einfalt als ein heterogenes Wesen angesehen werden konnte. Dies ist der Gang, den von nun an die Theorie nimmt, und die wir in der Newtonische Lehre auf ihrem höchsten Punkte finden.

Jene frühere Erklärungsart aber, die wir durch Kirchern umständlicher kennen gelernt, geht neben der neuern bis zu Ende des Jahrhunderts immer parallel fort, bildet sich immer mehr und mehr aus und tritt noch einmal zuletzt ganz deutlich in Nuguet hervor, wird aber von der Newtonischen völlig verdrängt. .."

[...]

In een reeks van theoremas heeft Newton zijn opvatting vastgelegd, dat het zonlicht uit stralen bestaat van verschillende breekbaarheid en dat verschillende lichten, die verschillend van kleur zijn, ook in hun breekbaarheid verschillen. Prismaproeven bewijzen volgens Newton deze stellingen. Het zonlicht valt door een kleine opening van het vensterluik, vervolgens door een prisma dat horizontaal staat, met de brekende hoek naar beneden gericht, en vormt dan op de wand daartegenover een langgerekt kleurig beeld. Newton merkt bij de beschrijving van deze proef op, dat de grootte van de opening er niet toe doet, althans geen merkbare verandering in de lengte van het beeld teweegbrengt.

Met behulp van enkele grondstellingen en een reeks daarbij behoorende bewijzen gelukte het Newton een kleurentheorie samen te stellen, die zich zeer goed leende voor een mathematische behandeling. De voorstelling van de lichtstraal die met het prisma een bepaalde hoek vormt, onder een andere hoek dit prisma weer verlaat, de voorstelling van de verschillende lichtsoorten, die als onzichtbare kleuren in het witte zonlicht aanwezig zijn en die door een eenvoudig experiment daaruit kunnen worden bevrijd, dat alles levert een zeer bruikbare grondslag voor een kleurentheorie, waarbij het zwaartepunt geheel valt op het quantitatieve, op het mathematische.

[...]

Toch ontbrak het Newton niet aan tegenstanders. Al tijdens zijn leven werd door verschillenden aan zijn leer getwijfeld. Genoemd mag hier b.v. worden Antonius Lukas, die proeven deed waardoor de brekingswetten in gevaar kwamen. Hij legde verschillend gekleurde voorwerpen in een bak met water, zó*oacute; dat ze op dezelfde hoogte en dezelfde afstand van de rand lagen. Naderde hij nu de bak, dan merkte hij, dat de verschillende kleuren tegelijk werden gezien, terwijl hij volgens Newton's leer verwacht had de verschillende kleuren na elkaar boven de rand te zien verschijnen.

De belangrijkste tegenstander van Newton was echter ongetwijfeld Goethe, die tegenover de op 't quantitatieve gerichte opvatting van Newton een kleurentheorie stelde, waarin hij trachtte de kleurqualiteiten zelf te ontdekken. Het verschil tusschen beide theorieën kan men als volgt karakterisereen: Waar voor Newton het licht verschillende soorten van licht bevat, die door bepaalde kunstverrichtingen, zooals breking b.v., als kleuren tevoorschijn komen, zoodat dus het ongekleurde licht op te vatten is als een samenstel van kleuren, daar ziet Goethe juist de de kleuren als een product van het licht. De kleuren ontstaan voor hem uikt de wisselwerking van twee elkaar tegenwerkende krachten, licht en duisternis. Als duisternis kan dan gelden alles wat het licht tegenwerkt, b.v. ook het troebele, schaduwachtige. De kleuren zijn daarmee voor Goethe iets wat tusschen licht en duisternis in staat als "Halbschatten" of "Halblicht".

Volgens Goethe was de prismaproef van Newton geen theorema, maar een hypothese die nog wel op andere wijzen te verklaren was. Bovendien leek hem de heele proefinrichting kunstmatig en niet geschikt om licht in deze kwestie te brengen. Het resultaat van een dergelijke proef was voor hem een zeer speciaal phenomeen, maar geen oerphenomeen. Dàt zocht en vond Goethe in de natuur. Hij merkte op hoe de zon door lichte wolken bedekt, geel van kleur wordt, bij zwaardere bewolking oranje, tenslotte oranjerood. Daartegenover zag hij bergen op een achtergrond een blauwe kleur aannemen. Dat deed bij hem de opvatting groeien, dat de kleuren ontstaan door de werking van licht en duisternis, en wel zoo, dat licht door duisternis gezien de gele kleur geeft, terwijl duisternis door licht gezien blauw veroorzaakt. Een troebel medium, zooals b.v. wolken, een nevelige atmospheer, het glas van een prisma, is t.o.v. het licht donker, t.o.v. de duisternis echter licht.

Licht en duisternis zijn dus de beide polair gerichte krachten. Geel en blauw de beide kleuren die daarmee correspondeeren. Door "Steigerung" ontstaat uit uit het geel, oranje en oranje-rood; uit het blauw, indigo en violet. De tegenstelling geel - blauw is het fundament van de kleurentheorie. Bij vermenging heffen de beide tegenstellingen elkaar niet op maar vormen een evenwicht in groen. Een "Steigerung" of verdichting aan beide zijden doet zoowel geel als blauw in het roodachtige overgaan. Een verbinding der beide "gesteigerte" einden geeft purpur.

Het verschil tusschen de opvattingen van Newton en Goethe is zoowel principieel als methodisch. Principieel omdat Goethe onmogelijk de natuur als iets doods, iets wat geheel "af" is en verder niet meer verandert, kon beschouwen. Een beschouwing van het licht als iets gegevens, waarvan mathematisch berekend kan worden, wat de samenstellende deelen zijn, was voor hem onwezenlijk. Licht was voor hem een beginsel, een scheppende kracht, een levend iets. Het licht als kracht, ontmoet de duisternis, d.i. het niet-licht, evenzeer een kracht, evenzeer aktief. Uit deze ontmoeting, ontspringen de kleuren als "Taten und Leiden" van het licht.

Methodisch is er verschil in beider bewerking van het vraagstuk omdat Newton tot meer of minder omslachtige experimenten zijn toevlucht neemt, Goethe echter naar de oerphenomenen zoekt, die in de natuur aanwezig zijn.

Dr. F.W. Zeylmans van Emmichoven, De werking der kleuren op het gevoel, Utrecht 1923
hoofdstuk II, blz.: 12-18.